Vliegvissers-Gezelschap
Copyright © 2017 vliegvissers-gezelschap Tight-Lines | Alle rechten voorbehouden 
Tight-Lines
fishing the fly
De corduroy pet

Toen ik die morgen naar buiten keek via het keukenraam van mijn appartement zag ik een grauwe lucht , vol met

regenwolken. Aan de overkant van de straat ligt een singel en het eerste wat ik s’morgens doe is kijken hoe het water zich

beweegt ten opzichte van de wind.De eenden moesten wel heel dikke kuiten krijgen vandaag want er stond een behoorlijke

kabbel op het water, de koeten die normaal al druk bezig zijn met het hof maken zochten een beschut plekje onder wat takken

van een overhangende struik, de reiger die er altijd zijnmaaltje vangt was in geen velde of wegen te zien. Het voorspelde niet

veel goeds, en ik besloot om maar lekker in de behaaglijke warmte van mijn huis te blijven, om wat vliegen te binden voor het

voorjaar. De inwendige mens werd gevoed met een heerlijke boterham , en een kop koffie. Vanuit mijn kamer kon ik het weer

in de gaten houden omdat het vliegvissersbloed nou eenmaal besmet is met dat virus. Terwijl ik vlieg nummer zes afgelakt

had keek ik wederom naar buiten en zag dat de wind iets minder was geworden.Onmiddellijk begonnen alle radertjes te

werken en besloot ik om het toch maar te proberen .Want niet gevist is niets gevangen.Snel had ik alles wat ik nodig had bij

elkaar ( organisatie is een groot goed ) eigenlijk ligt het altijd klaar.

Toen ik buiten bij mijn wagen kwam kreeg ik de indruk dat ik me vergist had in de windkracht, even twijfelde ik om terug te

gaan, maar het virus was sterker dan mijn wil. En ik stuurde mijn auto richting van de rijksweg, een file was mijn deel en ik

vervloekte de infrastructuur in en rond Rotterdam, na een klein half uurtje zat ik dan toch op de weg die ik voor ogen had

namelijk de richting van mijn geliefde visplaats, ver verscholen in de weilanden. Ik viste er eigenlijk altijd maar alleen, en

kwam zelden of nooit iemand tegen. Alleen de rattenvanger sprak ik er wel eens.

Nadat ik mijn auto had geparkeerd en mijn hengel had opgetuigt klom ik over het hek en liep het weiland in, in de verte

hoorde ik het rommelen , ik begon automatisch sneller te lopen toen ik het in de verte ook nog zag bliksemen, was dit nou wel

een goed idee dacht ik bij mezelf. De wind was gelukkig toch wat in kracht afgenomen, dus het werpen van een vlieg moest

geen problemen opleveren, ver hoefde ik er niet te gooien want de wetering was op zijn breeds een meter of 20 dus dat

moest te doen zijn. Na ongeveer zeshonderd meter moest ik over een oude houten brug die er verrot en afgetakeld uitzag.

Onder het houten bruggetje bevond zich alleen nog maar een geul opgevuld met wat drassige stukken met hier en daar wat

riet aan de zijkanten,de brug was waarschijnlijk aangelegd door de boer die er allang niet meer woonde een levensboom was

het enige teken dat er in een grijs verleden een boerderij had gestaan. Het pad er naar toe waar ik overheen liep bestond

eigenlijk niet meer en was opgegaan in het weiland, hier en daar zag je nog wel een kei of klinker liggen maar het pad was

niet meer aanwezig. Over de brug linksaf nog een kleine honderd meter, en daar lag mijn geheime visplek, het bevreemde me

iedere keer weer opnieuw dat ik er alleen was, uiteindelijk kon iedereen mij zien vertrekken vanuit de parkeerplaats, maar

treurde er niet om.

 Ik keek eens om me heen of er insecten aanwezig waren, maar dat was niet het geval, dus knoopte ik mijn

vertrouwde silver legs aan de leader. Een paar valse worpen en mijn lijn was op lengte, bijna tegen de overkant strekte de lijn

zich en zachtjes belande de nimf in het water, onmiddellijk zag ik de tippet met kleine schokjes in het water zakken ,en

reageerde ik met een snelle beweging van de lijnhand het eerste visje een klein rietvoorntje liet zich bewonderen. Doordat ik

weerhaakloos vis is het geen probleem om de haak te verwijderen.En de volgende worp gaat richting van de overkant, de lijn

strekt zich en het ritueel begint van voren af aan, kleine schokjes de lijnhand snel naar achteren gebracht, en de vis ligt in mijn

hand en word onthaakt dit is toch wel heel erg leuk en heb er geen spijt van dat ik ben gegaan.

Ik breng opnieuw mijn lijn op lengte en de vlieg valt door de wind een klein beetje meer naar links,vlakbij een veld lelies die er

hun mooiste tijd op hebben zitten. Heel voorzichtig en langzaam achtjes draaiend in mijn hand, haal ik de vliegenlijn binnen

op dat moment zie ik in mijn ooghoek aan de rechterkant een kleine kring aan de oppervlakte, dat zijn de momenten waar

iedere vliegvisser van droomt of het nu in het buitenland is aan een snel stromende rivier of in de polder zoals hier, altijd word

er gezocht naar stijgende vis. Met een versnelde beweging probeer ik voorzichtig de vliegenlijn uit het water te trekken, met

een achterwaartseworp breng ik in een keer de lijn op lengte, en een halve meter voor de kring valt mijn silver legs in het

water en waar ik op hoopte gebeurde een snelle ruk aan de leader verraad dat er een vis mijn nimf heeft gepakt, op het zelfde

moment breng ik mijn lijnhand naar beneden en mijn hengel staat krom .

De vis geeft behoorlijk strijd en probeert naar het veld met plompenbladeren te vluchten,

ik strek mijn arm uit naar rechts en weet de vis te keren, na nog een paar kleine pogingen

van de vis om te ontsnappen, lukt het me om de vis te landen het blijkt een schitterende rietvoorn van +/- dertig cm te zijn,

vol trots kijk ik naar de vis. Nadat ik een foto heb gemaakt voor het nageslacht zet ik de vis voorzichtig terug in het water.

In de verte is de lucht nu wel heel donker geworden en de eerste regendruppels beginnen het water oppervlak te bewerken

duizenden kleine speldenprikken kletteren op het water. De wind geeft plots blijk om er maar een schepje bovenop te gooien

en ik besluit om te vertrekken. Terwijl ik mijn vliegenlijn opspoel kijk ik over het weiland naar de voortrazende wolken. Zie ik

het nou goed of verbeeld ik het me maar, in de verte zie ik een schuurtje staan dat me voorheen niet was opgevallen, ik zou

daar natuurlijk naar toe kunnen lopen en de bui af wachten, als ik naar de auto terug loop zou ik ook zeiknat zijn, dacht ik bij

mezelf .En dus besluit ik om maar naar het schuurtje te gaan dat zich op ongeveer een honderdvijftig meter afstand van mij

bevind.

Het begon steeds harder te regenen en te waaien dus versnelde ik mijn pas, toen ik aan kwam bij het schuurtje dat niets

anders was dan een van grijze betonblokken opgetrokken behuizing voor de schapen die hier vroeger beslist zullen hebben

rond gelopen, was ik al behoorlijk nat geregend. Ik legde mijn hengel tegen de zijkant van het schuurtje aan, en liep naar de

voorkant en opende het half vergane gedeelte van het hek, wat dienst deed als deur .Bij het gat aan de achterkant van de

wand keek ik in de richting van mijn visstek, een oude houten aardappelkist stond in het midden, voor de rest was er niets te

zien wat wees op menselijke activiteiten. Uit mijn vistas die ik altijd om mijn nek heb hangen haalde ik een klein thermosflesje

met warme thee. Daar was ik echt aan toe en dronk mijn beker al zittend, op de aardappelkist leeg. Plots hoorde ik een stem

achter me zeggen, dat was een mooie ruiser diej e daarnet ving. Ik schrok me rot en verslikte me in de laatste slok thee. Ik

keek achterom naar de ingang van de schuur, en zag een oude man met een verweerd gelaat staan.In zijn ene hand had hij

een klomp die hij op zijn kop hield om het water er uit te laten lopen .De andere klomp zat om zijn voet, op de bovenkant van

de klomp zaten strippen ijzer die er bijna van af geroest waren. De man was tot op zijn hemd nat zijn corduroy pet stond half

op zijn hoofd, en het water droop aan alle kanten van hem af. Ik stond op en begroete de vreemdeling, en vroeg hem waar hij

zo plots vandaan kwam, want ik had hem niet zien aankomen. Op de een of andere manier voelde ik me niet op mijn gemak,

toen hij me geen antwoord gaf, en alleen maar lachend zijn bruine tanden liet zien, hij kauwde zowaar nog pruim tabak ook,

en spuugde een flinke fluim de ruimte in .Dat zou ik maar niet door je deegje doen visserman, ik keek de man aan en hij

lachte opnieuw zijn bruine tabakstanden bloot. Ik gebruik geen deeg, ik ben een vliegvisser, vertelde ik hem, wij gebruiken

kunstvliegen om vis te vangen.

 Ik viste hier vroeger ook veel en wist mijn maaltje altijd wel mee naar huis te nemen, moeder

de vrouw kon de vis altijd heerlijk bakken, en zette de brasem op het zuur dat was uit Amsterdam komen overwaaien.

Vis je dan nu niet meer vroeg ik hem, en hij gaf me weer geen antwoord, hij lachte alleen zijn bruine tanden bloot. Als je nog

een honderd meter door loopt, naar links waar je daarnet viste zal je waarschijnlijk veel meer vangen en de ruisers zijn er

werkelijk kolossaal, maar of je ze kunt vangen met zo’n zwiepstok weet ik niet, geef mij maar een ouderwetse bamboehengel

met een stevig stuk draad eraan en een behoorlijke haak, want er moet een flinke bal deeg op kunnen.Wacht ik zal een

tekeningetje maken voor je waar de beste stekken zijn in dat water, want het is er een stuk groter als waar je eerst viste, er ligt

ook altijd een mooie snoek in het begin, maar dat zal ik er ook wel bij zetten, en hij lachte zijn bruine tanden bloot. Ik draaide

me om en keek naar buiten via het gat in de achterwand,het weer was inmiddels opgeklaard, en het zag er naar uit dat ik nog

een paar uurtjes kon vissen. Ik draaide me om en wilde de man het goede nieuws vertellen, maar zag niemand meer, ik liep

naar buiten en vond mijn hengel rechtop staand tegen de schuur, met een paar meter vliegenlijn uit het topoog getrokken,wat

zullen we nu krijgen dacht ik bij mezelf, in geen velde of wegen was de vreemdeling te zien, waar ik ook keek hij was net zo

onverwachts vertrokken als hij gekomen was, ik wist zeker dat ik dit niet gedroomd had, in de thee had ook niets gezeten, en

toch wist ik zeker dat ik net iemand had gezien die ook kwam schuilen. Ik liep het schuurtje weer in en stopte mijn thermosfles

terug in mijn vistas. Ik zal het me wel verbeeld hebben dacht ik bij me zelf.Ik wilde de schuur verlaten toen ik een bruine vlek

op de vloer zag liggen, het was de fluim van die vreemdeling, zie je wel ik wist het zeker.

 Ik keek nog een keer om me heen en wilde vertrekken, ik schopte tegen een stuk bruin verfrommeld papier,

en moest denken aan de man die een tekening zou maken van zijn visplek. Ik pakte het papiertje op, en vouwde het open,

in een ouderwets schoolhandschrift was met een beverige hand een soort kaartje gemaakt.

Dit moest het kaartje zijn wat de vreemdeling mij belooft had, het zag er wel heel oud uit en het was moeilijk te lezen,

hier en daar stonden kruisjes getekend met vissen namen erbij.

Ik stopte het in mijn vistas en vertrok, om me heen kijkend of ik de vreemdeling niet ergens zag lopen.

Toen ik op de plek terug kwam waar ik altijd viste keek ik in de richting die de man mij had verteld, en liep een tiental

meters naar links ik kon me niet voorstellendat hier nog meer water moest zijn, maar de man had niet voor niets het

kaartje voor me getekend. Er moest hier nog meer water zijn, dus liep ik gewoon door, de droge geul die in het begin

onder het bruggetje begon liep hier nog steeds door, tien meter verder zag ik de geul naar rechts afbuigen, en een

aarde wal was dwars in de geul geplaatst, en inderdaad achter deze wal bevond zich het meest geweldige water in

de polder wat ik ooit had gezien.Het was er inderdaad groter dan ik had verwacht, vreemd dat het me nooit eerder

was opgevallen, en in gedachte bedankte ik de man die zo plots was gekomen en weer was verdwenen.

Ik bracht mijn lijn op lengte, en er volgde zoals gewoonlijk een paar valse worpen. De nimf viel in het water en ik begon mijn

lijn binnen te strippen, plotseling begon mijn lijn strak te lopen en automatisch bracht ik mijn lijnhand naar beneden, vast

gelopen aan de bodem bracht ik de lijn onder spanning en hij kwam zowaar mee, ik had wel iets gehaakt, het leek wel een

stuk stof toen ik het dichterbij had gehaald, ik bukte me en haalde het vieze ding uithet water, nu ik het goed kon bekijken zag

ik dat het een pet was. De vreemdeling in het schuurtje flitste door mijn hoofd, dit was zijn pet ik wist het zeker, ik schrok hevig

en keek inhet rond of ik de man ergens zag, maar niets wees op zijn aanwezigheid. Ik voelde me er niet prettig bij, en besloot

om maar huiswaarts te keren toen ik bijna bij het hek was stopte er een auto en de rattenvanger waar ik wel eens mee stond

te praten stapte uit, nog iets gevangen vroeg hij me, en ik liet hem de pet zien die ik meegenomen had, omdat ik de politie

wilde inlichten over het voorval .Ik vertelde de rattenvanger wat ik had meegemaakt en hij keek me verschrikt aan, en vroeg

me hoe de man er uit had gezien, nadat ik hem het een en ander had verteld zij hij tegen mij dat de beschrijving heel erg leek

op de boer die hier jaren geleden had gewoond en op een mysterieuze wijze was verdronken, waar heb je die pet dan

gevonden vroeg hij mij, en ik vertelde hem over het kaartje en liet het hem ook zien. Dat is onmogelijk wat je me nu verteld,

want het water waar je volgens jou de pet uit het water hebt gehaald, bestaat al heel lang niet meer, de boer die daar

verdronken is hield het water goed bij en om de paar jaar verwijderde hij het vuil zodat het niet kon verlanden. Maar nu is dat

wel het geval, hier en daar staan nog wat rietpollen en oeverplanten. Daaraan kan je zien dat er ooit eens water is geweest,

maar nu is er niets meer van over. Nou dan ben je toch in de war hoor, ik kom er net vandaan en heb deze pet uit het water

gehaald en ik vertelde hem nogmaals hoe het water eruit zag.

Kom dan lopen we samen daar naartoe vroeg ik hem, en de rattenvanger volgde me op de voet.

Toen we bij de oude verrotte brug aankwamen zij de rattenvanger dat hier de boer had gewoond, hij had hem nooi

gekend maar zijn vader die helaas overleden was en boer was geweest kende hem wel goed.

Van hieruit ging de rattenvanger voorop en na een kleine honderdvijftig meter kwamen we bij de aarde wal die dwars in de

geul lag. Hier achter zou het bewijs liggen, maar tot mijn stomme verbazing was het water waar ik een half uur geleden de pet

boven water haalde verdwenen. Alleen wat rietpollen en oeverplanten waren het bewijs . De rattenvanger begon te lachen en

iets in zijn lach kwam me bekend voor, toen spuwde hij een bruine fluim in het gras .

Ik keek hem aan en ben gaan rennen ik heb mijn geheime visstek nooit meer bezocht.Sindsdien houd ik rattenvangers in de

gaten en schuurtjes om te schuilen vermijd ik. De pet hangt wel nog steeds bij mij thuis aan de muur, ik denk nog wel eens

terug aan die dag als het regent, en de waterhoenen een veilig heenkomen zoeken, de eenden hard moeten werken om

vooruit te komen en de reiger elders vertoefd.

Hans Teunisse

Copyright © 2017 vliegvissers-gezelschap Tight-Lines | Alle rechten voorbehouden 
Vliegvissers-Gezelschap
Tight-Lines
fishing the fly
De corduroy pet

Toen ik die morgen naar buiten keek via het keukenraam van mijn appartement

zag ik een grauwe lucht , vol met regenwolken.

Aan de overkant van de straat ligt een singel en het eerste wat ik s’morgens doe is

kijken hoe het water zich beweegt ten opzichte van de wind.

De eenden moesten wel heel dikke kuiten krijgen vandaag want er stond een

behoorlijke kabbel op het water, de koeten die normaal al druk bezig zijn met het hof

maken zochten een beschut plekje onder wat takken van een overhangende struik,

de reiger die er altijd zijnmaaltje vangt was in geen velde of wegen te zien.

Het voorspelde niet veel goeds, en ik besloot om maar lekker in de behaaglijke

warmte van mijn huis te blijven, om wat vliegen te binden voor het voorjaar.

De inwendige mens werd gevoed met een heerlijke boterham , en een kop koffie.

Vanuit mijn kamer kon ik het weer in de gaten houden omdat het vliegvissersbloed

nou eenmaal besmet is met dat virus.

Terwijl ik vlieg nummer zes afgelakt had keek ik wederom naar buiten en zag dat de

wind iets minder was geworden.

Onmiddellijk begonnen alle radertjes te werken en besloot ik om het toch maar te

 proberen .Want niet gevist is niets gevangen.Snel had ik alles wat ik nodig had bij

elkaar ( organisatie is een groot goed ) eigenlijk ligt het altijd klaar.

Toen ik buiten bij mijn wagen kwam kreeg ik de indruk dat ik me vergist had in de

windkracht, even twijfelde ik om terug te gaan, maar het virus was sterker dan mijn wil.

En ik stuurde mijn auto richting van de rijksweg, een file was mijn deel en ik

vervloekte de infrastructuur in en rond Rotterdam, na een klein half uurtje zat ik dan

toch op de weg die ik voor ogen had namelijk de richting van mijn geliefde visplaats,

ver verscholen in de weilanden. Ik viste er eigenlijk altijd maar alleen, en kwam zelden

of nooit iemand tegen. Alleen de rattenvanger sprak ik er wel eens.

Nadat ik mijn auto had geparkeerd en mijn hengel had opgetuigt klom ik over het hek

en liep het weiland in, in de verte hoorde ik het rommelen , ik begon automatisch

sneller te lopen toen ik het in de verte ook nog zag bliksemen, was dit nou wel

een goed idee dacht ik bij mezelf. De wind was gelukkig toch wat in kracht afgenomen,

dus het werpen van een vlieg moest geen problemen opleveren, ver hoefde ik er niet

te gooien want de wetering was op zijn breeds een meter of 20 dus dat moest te

doen zijn.

Na ongeveer zeshonderd meter moest ik over een oude houten brug die er verrot en

afgetakeld uitzag.

Onder het houten bruggetje bevond zich alleen nog maar een geul opgevuld met wat

drassige stukken met hier en daar wat riet aan de zijkanten,de brug was waarschijnlijk

aangelegd door de boer die er allang niet meer woonde een levensboom was

het enige teken dat er in een grijs verleden een boerderij had gestaan.

Het pad er naar toe waar ik overheen liep bestond eigenlijk niet meer en was opgegaan

 in het weiland, hier en daar zag je nog wel een kei of klinker liggen maar het pad was

niet meer aanwezig.

Over de brug linksaf nog een kleine honderd meter, en daar lag mijn geheime visplek,

het bevreemde me iedere keer weer opnieuw dat ik er alleen was, uiteindelijk kon

iedereen mij zien vertrekken vanuit de parkeerplaats, maar treurde er niet om.

Ik keek eens om me heen of er insecten aanwezig waren, maar dat was niet het geval,

dus knoopte ik mijn vertrouwde silver legs aan de leader. Een paar valse worpen en

mijn lijn was op lengte, bijna tegen de overkant strekte de lijn zich en zachtjes

belande de nimf in het water, onmiddellijk zag ik de tippet met kleine schokjes in het

water zakken ,en reageerde ik met een snelle beweging van de lijnhand het eerste

visje een klein rietvoorntje liet zich bewonderen.

Doordat ik weerhaakloos vis is het geen probleem om de haak te verwijderen.

En de volgende worp gaat richting van de overkant, de lijn strekt zich en het ritueel

begint van voren af aan, kleine schokjes de lijnhand snel naar achteren gebracht,

en de vis ligt in mijn hand en word onthaakt dit is toch wel heel erg leuk en heb er geen

spijt van dat ik ben gegaan.

Ik breng opnieuw mijn lijn op lengte en de vlieg valt door de wind een klein beetje

meer naar links,vlakbij een veld lelies die er hun mooiste tijd op hebben zitten.

Heel voorzichtig en langzaam achtjes draaiend in mijn hand, haal ik de vliegenlijn

binnen op dat moment zie ik in mijn ooghoek aan de rechterkant een kleine kring

aan de oppervlakte, dat zijn de momenten waar iedere vliegvisser van droomt of het

nu in het buitenland is aan een snel stromende rivier of in de polder zoals hier,

altijd word er gezocht naar stijgende vis. Met een versnelde beweging probeer ik

voorzichtig de vliegenlijn uit het water te trekken, met een achterwaartseworp breng

ik in een keer de lijn op lengte, en een halve meter voor de kring valt mijn silver legs

in het water en waar ik op hoopte gebeurde een snelle ruk aan de leader verraad

dat er een vis mijn nimf heeft gepakt, op het zelfde moment breng ik mijn lijnhand

naar beneden en mijn hengel staat krom .

De vis geeft behoorlijk strijd en probeert naar het veld met plompenbladeren te

vluchten, ik strek mijn arm uit naar rechts en weet de vis te keren, na nog een paar

kleine pogingen van de vis om te ontsnappen, lukt het me om de vis te landen het blijkt

een schitterende rietvoorn van +/- dertig cm te zijn, vol trots kijk ik naar de vis.

Nadat ik een foto heb gemaakt voor het nageslacht zet ik de vis voorzichtig terug in

het water.

In de verte is de lucht nu wel heel donker geworden en de eerste regendruppels

beginnen het water oppervlak te bewerken duizenden kleine speldenprikken kletteren

op het water. De wind geeft plots blijk om er maar een schepje bovenop te gooien

en ik besluit om te vertrekken.

Terwijl ik mijn vliegenlijn opspoel kijk ik over het weiland naar de voortrazende wolken.

Zie ik het nou goed of verbeeld ik het me maar, in de verte zie ik een schuurtje staan

dat me voorheen niet was opgevallen, ik zou daar natuurlijk naar toe kunnen lopen

en de bui af wachten, als ik naar de auto terug loop zou ik ook zeiknat zijn, dacht ik bij

mezelf .

En dus besluit ik om maar naar het schuurtje te gaan dat zich op ongeveer een

honderdvijftig meter afstand van mij bevindt.

Het begon steeds harder te regenen en te waaien dus versnelde ik mijn pas, toen ik

aan kwam bij het schuurtje dat niets anders was dan een van grijze betonblokken

opgetrokken behuizing voor de schapen die hier vroeger beslist zullen hebben

rond gelopen, was ik al behoorlijk nat geregend. Ik legde mijn hengel tegen de zijkant

van het schuurtje aan, en liep naar de voorkant en opende het half vergane gedeelte

van het hek, wat dienst deed als deur .Bij het gat aan de achterkant van de wand keek

ik in de richting van mijn visstek, een oude houten aardappelkist stond in het midden,

voor de rest was er niets te zien wat wees op menselijke activiteiten.

Uit mijn vistas die ik altijd om mijn nek heb hangen haalde ik een klein thermosflesje

met warme thee.

Daar was ik echt aan toe en dronk mijn beker al zittend, op de aardappelkist leeg.

Plots hoorde ik een stem achter me zeggen, dat was een mooie ruiser diej e daarnet

ving. Ik schrok me rot en verslikte me in de laatste slok thee.

Ik keek achterom naar de ingang van de schuur, en zag een oude man met een

verweerd gelaat staan.In zijn ene hand had hij een klomp die hij op zijn kop hield om

het water er uit te laten lopen .De andere klomp zat om zijn voet, op de bovenkant van

de klomp zaten strippen ijzer die er bijna van af geroest waren.

De man was tot op zijn hemd nat zijn corduroy pet stond half op zijn hoofd, en het

water droop aan alle kanten van hem af. Ik stond op en begroete de vreemdeling,

en vroeg hem waar hij zo plots vandaan kwam, want ik had hem niet zien aankomen.

Op de een of andere manier voelde ik me niet op mijn gemak, toen hij me geen

antwoord gaf, en alleen maar lachend zijn bruine tanden liet zien, hij kauwde zowaar

nog pruim tabak ook, en spuugde een flinke fluim de ruimte in .

Dat zou ik maar niet door je deegje doen visserman, ik keek de man aan en hij

lachte opnieuw zijn bruine tabakstanden bloot.

Ik gebruik geen deeg, ik ben een vliegvisser, vertelde ik hem, wij gebruiken

kunstvliegen om vis te vangen.

 Ik viste hier vroeger ook veel en wist mijn maaltje altijd wel mee naar huis te nemen,

moeder de vrouw kon de vis altijd heerlijk bakken, en zette de brasem op het zuur dat

was uit Amsterdam komen overwaaien.

Vis je dan nu niet meer vroeg ik hem, en hij gaf me weer geen antwoord, hij lachte

alleen zijn bruine tanden bloot.

Als je nog een honderd meter door loopt, naar links waar je daarnet viste zal je

waarschijnlijk veel meer vangen en de ruisers zijn er werkelijk kolossaal, maar of je ze

kunt vangen met zo’n zwiepstok weet ik niet, geef mij maar een ouderwetse

bamboehengel met een stevig stuk draad eraan en een behoorlijke haak, want er moet

een flinke bal deeg op kunnen.

Wacht ik zal een tekeningetje maken voor je waar de beste stekken zijn in dat water,

want het is er een stuk groter als waar je eerst viste, er ligt ook altijd een mooie snoek

in het begin, maar dat zal ik er ook wel bij zetten, en hij lachte zijn bruine tanden bloot.

Ik draaide me om en keek naar buiten via het gat in de achterwand,het weer was

inmiddels opgeklaard, en het zag er naar uit dat ik nog een paar uurtjes kon vissen.

Ik draaide me om en wilde de man het goede nieuws vertellen, maar zag niemand

meer, ik liep naar buiten en vond mijn hengel rechtop staand tegen de schuur, met

een paar meter vliegenlijn uit het topoog getrokken,wat zullen we nu krijgen dacht ik bij

mezelf, in geen velde of wegen was de vreemdeling te zien, waar ik ook keek hij was

net zo onverwachts vertrokken als hij gekomen was, ik wist zeker dat ik dit niet

gedroomd had, in de thee had ook niets gezeten, en toch wist ik zeker dat ik net i

emand had gezien die ook kwam schuilen.

Ik liep het schuurtje weer in en stopte mijn thermosfles terug in mijn vistas.

Ik zal het me wel verbeeld hebben dacht ik bij me zelf.Ik wilde de schuur verlaten

toen ik een bruine vlek op de vloer zag liggen, het was de fluim van die vreemdeling,

zie je wel ik wist het zeker.

Ik keek nog een keer om me heen en wilde vertrekken, ik schopte tegen een stuk bruin

verfrommeld papier, en moest denken aan de man die een tekening zou maken van

zijn visplek. Ik pakte het papiertje op, en vouwde het open, in een ouderwets

schoolhandschrift was met een beverige hand een soort kaartje gemaakt.

Dit moest het kaartje zijn wat de vreemdeling mij belooft had, het zag er wel heel oud

uit en het was moeilijk te lezen, hier en daar stonden kruisjes getekend met

vissen namen erbij.

Ik stopte het in mijn vistas en vertrok, om me heen kijkend of ik de vreemdeling niet

ergens zag lopen.

Toen ik op de plek terug kwam waar ik altijd viste keek ik in de richting die de man mij

had verteld, en liep een tiental meters naar links ik kon me niet voorstellendat hier

nog meer water moest zijn, maar de man had niet voor niets het kaartje voor me

getekend. Er moest hier nog meer water zijn, dus liep ik gewoon door, de droge geul

die in het begin onder het bruggetje begon liep hier nog steeds door, tien meter verder

zag ik de geul naar rechts afbuigen, en een aarde wal was dwars in de geul geplaatst,

en inderdaad achter deze wal bevond zich het meest geweldige water in de polder wat

ik ooit had gezien.

Het was er inderdaad groter dan ik had verwacht, vreemd dat het me nooit eerder

was opgevallen, en in gedachte bedankte ik de man die zo plots was gekomen en

weer was verdwenen.

Ik bracht mijn lijn op lengte, en er volgde zoals gewoonlijk een paar valse worpen.

De nimf viel in het water en ik begon mijn lijn binnen te strippen, plotseling begon mijn

lijn strak te lopen en automatisch bracht ik mijn lijnhand naar beneden, vast

gelopen aan de bodem bracht ik de lijn onder spanning en hij kwam zowaar mee,

ik had wel iets gehaakt, het leek wel een stuk stof toen ik het dichterbij had gehaald.

Ik bukte me en haalde het vieze ding uithet water, nu ik het goed kon bekijken zag

ik dat het een pet was.

De vreemdeling in het schuurtje flitste door mijn hoofd, dit was zijn pet ik wist het zeker,

ik schrok hevig en keek inhet rond of ik de man ergens zag, maar niets wees op zijn

aanwezigheid. Ik voelde me er niet prettig bij, en besloot om maar huiswaarts te keren

toen ik bijna bij het hek was stopte er een auto en de rattenvanger waar ik wel eens

mee stond te praten stapte uit, nog iets gevangen vroeg hij me, en ik liet hem de pet

zien die ik meegenomen had, omdat ik de politie wilde inlichten over het voorval.

Ik vertelde de rattenvanger wat ik had meegemaakt en hij keek me verschrikt aan,

en vroeg me hoe de man er uit had gezien, nadat ik hem het een en ander had verteld

zij hij tegen mij dat de beschrijving heel erg leek op de boer die hier jaren geleden

had gewoond en op een mysterieuze wijze was verdronken, waar heb je die pet dan

gevonden vroeg hij mij, en ik vertelde hem over het kaartje en liet het hem ook zien.

Dat is onmogelijk wat je me nu verteld, want het water waar je volgens jou de pet uit

het water hebt gehaald, bestaat al heel lang niet meer, de boer die daar

verdronken is hield het water goed bij en om de paar jaar verwijderde hij het vuil

zodat het niet kon verlanden.

Maar nu is dat wel het geval, hier en daar staan nog wat rietpollen en oeverplanten.

Daaraan kan je zien dat er ooit eens water is geweest, maar nu is er niets meer van

over.

Nou dan ben je toch in de war hoor, ik kom er net vandaan en heb deze pet uit het

water gehaald en ik vertelde hem nogmaals hoe het water eruit zag.

Kom dan lopen we samen daar naartoe vroeg ik hem, en de rattenvanger volgde me

 op de voet.

Toen we bij de oude verrotte brug aankwamen zij de rattenvanger dat hier de boer

had gewoond, hij had hem nooit gekend maar zijn vader die helaas overleden was

en boer was geweest kende hem wel goed.

Van hieruit ging de rattenvanger voorop en na een kleine honderdvijftig meter kwamen

we bij de aarde wal die dwars in de geul lag.

Hier achter zou het bewijs liggen, maar tot mijn stomme verbazing was het water waar

ik een half uur geleden de pet boven water haalde verdwenen.

Alleen wat rietpollen en oeverplanten waren het bewijs .

De rattenvanger begon te lachen en iets in zijn lach kwam me bekend voor, toen

spuwde hij een bruine fluim in het gras .

Ik keek hem aan en ben gaan rennen ik heb mijn geheime visstek nooit meer bezocht.

Sindsdien houd ik rattenvangers in de gaten en schuurtjes om te schuilen vermijd ik.

De pet hangt wel nog steeds bij mij thuis aan de muur, ik denk nog wel eens

terug aan die dag als het regent, en de waterhoenen een veilig heenkomen zoeken,

de eenden hard moeten werken om vooruit te komen en de reiger elders vertoefd.

Hans Teunisse